Genetisch onderzoek
Onderzoek naar de erfelijke achtergrond van epilepsie is de laatste jaren sterk in opmars. Door het analyseren van het DNA (het genetisch materiaal dat in elk van onze lichaamscellen aanwezig is) kunnen artsen steeds vaker de onderliggende oorzaak van epilepsie achterhalen. Dit genetisch onderzoek kan belangrijke gevolgen hebben voor de diagnose, behandeling en begeleiding van patiënten en hun familie.
Genetica biedt een krachtig hulpmiddel in het begrijpen en behandelen van epilepsie. Toch is genetisch onderzoek vandaag vooral aangewezen bij vormen van epilepsie
met een grote kans op een monogene oorzaak of wanneer de uitkomst echt een verschil kan maken voor therapie of prognose. Goede voorlichting en samen beslissen zijn essentieel. Bespreek altijd met je arts wat nuttig is in jouw situatie, en blijf opvolgen of nieuwe ontwikkelingen eventueel hernieuwd onderzoek in de toekomst interessant maken.
Bij tot wel de helft van de mensen met onverklaarde epilepsie kan een genetische bijdrage worden vermoed.
Bij sommige meer zeldzame vormen van epilepsie is er sprake van een verandering in één specifiek gen (monogene epilepsie), terwijl bij andere soorten veel verschillende genetische risicovarianten én omgevingsfactoren een rol spelen (polygenetische epilepsie).
Soms wordt een genetische verandering geërfd van een ouder, maar bij veel kinderen ontstaan ze spontaan (zogenaamde de novo varianten). Het aantonen van een genetische oorzaak geeft niet alleen duidelijkheid over het “waarom” van de epilepsie, maar kan ook leiden tot:
- aangepaste (gepersonaliseerde) behandeling,
- betere inschatting van toekomstperspectief,
- en gerichte uitleg aan familie over eventuele risico’s op epilepsie bij broertjes, zusjes of volgende generaties.
Het is belangrijk om te benadrukken dat momenteel nog maar bij een minderheid van de genetische epilepsieën echt een gepersonaliseerde behandeling mogelijk is. Toch is dit een snel ontwikkelend veld. Bijvoorbeeld bij het Dravet-syndroom, veroorzaakt door een mutatie in een natriumkanaal in de hersenen, is al lang bekend dat bepaalde anti-epileptica vermeden moeten worden, terwijl andere juist gunstiger zijn. Bovendien lopen momenteel de eerste klinische proeven met gentherapie gericht op deze aandoening. Dit voorbeeld illustreert de mogelijkheden die genetische kennis biedt om in de toekomst steeds vaker behandelkeuzes écht op maat te maken.
Niet bij iedereen met epilepsie is genetisch onderzoek nodig of zinvol. In Vlaanderen bevelen specialisten genetisch onderzoek momenteel vooral aan als de kans op het vinden van een “monogene oorzaak” voldoende groot is – dus wanneer één genetische verandering waarschijnlijk de oorzaak is. De reden hiervoor is dat het interpreteren van genetische risicofactoren bij epilepsieën die door meerdere genen en omgevingsfactoren ontstaan (complexe, polygene epilepsieën), nog erg moeilijk is en zelden direct leidt tot betere zorg of duidelijkheid voor de patiënt.
Het genetisch onderzoek wordt daarom doorgaans ook enkel aangeraden als het resultaat naar verwachting een verschil kan maken in het zorgtraject van de patiënt en/of de familie. Dit hoeven niet steeds de meest ernstige epilepsievormen zijn. Ook bij sommige goed behandelbare, gekende erfelijke kinder-epilepsieën (zoals zelflimiterende neonatale of infantiele epilepsie) kan genetisch onderzoek zinvol zijn om onnodige extra onderzoeken te voorkomen en om ouders meer duidelijkheid over de prognose te kunnen bieden.
Wel is het zo dat door snelle wetenschappelijke vooruitgang, deze aanbevelingen de komende jaren mogelijk verder worden uitgebreid.
Typische situaties waarin genetisch onderzoek wordt aanbevolen, zijn vormen van epilepsie waarbij er geen duidelijke verworven oorzaak is en die:
• Beginnen op jonge leeftijd (baby’s, jonge kinderen)
• Gecombineerd voorkomen met ontwikkelingsvertraging, autisme, aangeboren (hersen)afwijkingen of dysmorfieën
• Moeilijk behandelbaar (therapieresistent) zijn
• Voorkomen binnen een familie waar meerdere personen getroffen zijn door eenzelfde zeldzame vorm van epilepsie
Genetisch onderzoek kan verschillende uitkomsten hebben, en het is erg belangrijk om deze vooraf grondig met de aanvragende arts te bespreken. Zo weet iedereen wat de mogelijke scenario’s zijn en wat die kunnen betekenen:
1. Er wordt een duidelijke genetische oorzaak gevonden: Een specifieke verandering in je DNA verklaart de epilepsie. Dit kan direct gevolgen hebben voor je behandeling (bijvoorbeeld aangepaste medicatie), de prognose, en advies rond erfelijkheid.
2. Er wordt een variant gevonden waarvan het belang nog onzeker is ("variant of unknown significance", VUS): Er wordt een genetische verandering gevonden, maar het is nog niet duidelijk of deze de oorzaak is van de epilepsie of misschien een gewone variant van het normale is. Extra onderzoek of opvolging kan dan nodig zijn, bijvoorbeeld via familieonderzoek, bijkomende medische testen, of deelname aan wetenschappelijke studies. Soms blijft de rol van deze genetische verandering onduidelijk. Mogelijk wordt dit in de toekomst wel duidelijker, naarmate de kennis verder toeneemt.
3. Er wordt geen afwijking gevonden: Er wordt geen oorzaak gevonden in het DNA. Dit sluit echter een genetische oorzaak niet volledig uit; het kan zijn dat de technologie (nog) niet alles kan opsporen, of dat het verband nog onbekend is. Daarom is het belangrijk om na enige tijd (bijvoorbeeld na een tweetal jaar) regelmatig te evalueren of hernieuwd onderzoek nuttig kan zijn. Door de snelle wetenschappelijke evolutie kunnen er immers nieuwe inzichten ontstaan waarmee eerdere stalen opnieuw bekeken kunnen worden, of nieuwe testen mogelijk zijn.
4. Er wordt een toevallige nevenbevinding gedaan: Heel zelden kan genetisch onderzoek een afwijking opsporen die niet de oorzaak is van epilepsie, maar die wel belangrijk is voor je gezondheid. Dit kan bijvoorbeeld gaan om een verhoogd risico op een andere aandoening, vooral als die aandoening te behandelen of te voorkomen is. In zulke gevallen zal de arts deze bevinding zorgvuldig met je bespreken. Nevenbevindingen waarvoor momenteel geen behandeling mogelijk is, worden meestal niet gemeld; dit om onnodige zorgen te vermijden en het nut van de informatie te beperken tot wat praktisch relevant en medisch zinvol is.
Het is dus van groot belang dat genetisch onderzoek vooraf goed besproken wordt met de patiënt en familie: wat kan je wel en niet verwachten, en wat zijn de mogelijke gevolgen van elk type uitslag? Zo voorkom je onverwachte of onduidelijke situaties.
Na bloedafname wordt het genetisch materiaal onderzocht in een gespecialiseerd centrum. Het resultaat laat meestal enkele weken tot maanden op zich wachten, afhankelijk van de complexiteit. Bij zware of snel evoluerende aandoeningen kan een versnelde procedure worden overwogen in overleg met de behandelende specialisten.